Naar de index





Een heerlijk avondje

de Cocx en de inbrekers


De wind blies koud de straffe regen over de verlaten straten. Brigadier de Cocx stapte, met een mismoedige uitdrukking op het gezicht, de straat op, uit het warme bureau vandaan, waar de kachel lekker brandde, en het ondanks de koude winteravond best goed toeven was. Het was druk op het bureau, want naast de gewoonlijke zaken als fietsendiefstal, auto-inbraken en dergelijke was er de laatste week een opvallende toename van inbraken, zo erg, dat de pers, en vooral de plaatselijke pers, het al over een misdaadgolf had. Maar hij, de Cocx, hij had nu eindelijk een paar uur vrij, en laat de anderen maar achter het rode gevaar aanlopen, dacht de brigadier. Ondanks de beperkte grootte van het korps was er een flink aantal agenten en rechercheurs op het spoor van de dievenbende gezet. Hoewel, dievenbende?

Niettegenstaande de koude wind bleef de Cocx even staan en krabde op zijn hoofd. Gek genoeg waren er wel sporen van een inbraak, maar veel meer als een wortel werd er niet gestolen, of je moest het hooi meetellen, dat uit een konijnenhok verdwenen was. Een signalement van de daders was er ook, en steeds hetzelfde: Twee donkere types, kennelijk ondergeschikten, en een oudere blanke man in een rode jas, gewapend met een stok. Belachelijk!

Uit de zak van zijn zware motorjas diepte de Cocx de sleutels van het fietsen hok, en van zijn motorfiets op. Gelukkig mocht hij zijn CX bij de fietsen zetten, anders werd het ding zo nat, en als hij dan ging zitten op dat kletsnatte zadel, dan drong het koude regenwater door zijn kleding, en dat voelde niet prettig aan.

En als zo vaak kon de Cocx het niet laten om even bewonderend naar zijn motor te kijken. Toegegeven, het was een oudje, maar dat oudje deed het nog best. Misschien moest het volgend jaar de boel maar eens uit elkaar, om puntjes bij te werken, het frame in de poedercoating te zetten, en het blok te poetsen. Maar poetsen was een woord wat nauwelijks in het woordenboek van de brigadier voorkwam. Rijden, op de motor, dat wel. En ondanks de koude avond dwaalden zijn gedachten af naar die fantastische rit in de vakantie, naar Spanje.......

De helm werd opgezet, de motor gestart en naar buiten gereden, de koude avond in. De forse kuip op de motor was op avonden als deze echt geen overbodige luxe. Gelukkig minderde de regen, terwijl de Cocx de poort doorreed, en de weg opdraaide. Over tien, vijftien minuten thuis, lekker eten, en dan even niets doen, geen dieven of inbrekers vangen.......

Op de motor moet men uitkijken, daar hadden de motor agenten van de KLPD de Cocx als vaak op gewezen. En het was een tweede natuur geworden voor de brigadier, om extra om zich heen te kijken. Ja, hij was weliswaar een her-opstapper, zoals dat heet, maar dat was al 6 jaar en 50.000 kilometers geleden. Toch, toen hij, wachtend voor een verkeerslicht, aan de overkant van de weg een schaduw zag, geloofde hij zijn ogen niet. Donkere schaduwen komen vaker voor, maar deze drie schaduwen leken wel over de daken te klimmen. En een als onbetrouwbaar aangenomen getuige-verklaring kwam nu in een ander licht te staan. "Ik zag de drie verdachten over het dak wegvluchtten" had de getuige gezegd. Op het bureau waren woorden als geestesziek en dronken nog de vriendelijkste omschrijvingen van deze getuige, maar nu, nu zag de Cocx drie schaduwen over de daken wegvluchtten.

Wat te doen? De collega's bellen? Maar die zouden het niet geloven, en onmiddellijk met het blaaspijpje langs komen. Er zelf dan maar achteraan, en kijken hoe ver hij zou komen. Een motor is tenslotte wendbaarder als een auto, en als dit inderdaad de drie gezochten zouden zijn......

Het rode licht negerend schakelde de Cocx in de eerste versnelling. Gelukkig kwam er geen verkeer, en daar was de overkant al. Deze straat liep parallel aan de route die de drie op het dak hadden genomen. Verderop was de Achtersteeg, een smalle dwarsstraat. Eenrichtingsverkeer, maar dat moest maar een keertje. De overtuiging dat er iets te gebeuren stond werd groter toen de Cocx op zijn motor de Achtersteeg in reed, tegen de gesloten verklaring in, en over het dak aan het eind van de straat een schaduw zag gaan, de duisternis in. Als diender met voldoende dienstjaren wist de Cocx waar die daken ophielden, en hij waagde het erop. Linksaf, gas erop, remmen, rechts, weer rechts en daar was het Slotplein, waar eens een kasteeltje de toegang tot het stadje had beschermd, en waar nu een grotendeels verlaten parkeerplaats was, ver van alle winkelcentra af. Er was nog niemand te zien, mooi, dan was hij ze nog voor. De motor werd neergezet, contact af, en de stilte van de avond nam bezit van het plein......

Stilte? Nee, toch niet. Vanuit een hoekje van het plein, waar een klein veldje met verwilderde planten en gras was, klonk een gesnuif, wat op een donkere avond als deze, waar de maan achter de wolken verscholen was, een ietwat onheilspellend geluid was. Er bewoog wat, daar in het hoekje, en tot de Cocx' grote verbazing kwam er een paard te voorschijn, rustig stappend over de klinkers van het plein, langs de eeuwenoude bomen, tot vlak bij de enige lantaarnpaal die door de jeugd nog niet kapot getrapt was.

Een vluchtauto, nou ja, dat was normaal, bedacht de Cocx, maar een vluchtpaard? Er was geen tijd om het nauwkeurig te onderzoeken, hoewel die zak met spullen, daar op de rug van het paard misschien wel de buit van deze avond kon zijn. En dat kon wel eens een 'heterdaadje' worden, en dat kon opslag en promotie betekenen!

Al hij het goed had ingeschat konden de drie elk ogenblik aankomen, en wel vanuit Poortlaan. In een donker hoekje naast de Poortlaan stelde de Cocx zich op. Hij betreurde het dat hij geen wapen bij zich had, maar wie had dat kunnen denken, toen hij voor een rustige avond naar huis reed? Wacht, hoorde hij voetstappen? Of niet? Ja, daar, heel duidelijk, en ook stemmen. Maar welke taal spraken ze? Ergens had de Cocx het gevoel dat hij die taal onlangs nog had gehoord. Geen Frans, en zeker geen Duits of Engels. Het leek op Spaans. Zou het een Spaanse inbrekersbende zijn?

Seconden regen zich aaneen tot een minuut, dan twee, en juist toen de Cocx dacht: 'ze komen niet meer' stapten drie gestalten het plein op. De grote man achteraan moest de leider van de bende zijn, de twee anderen leken meelopers. Met een reuze sprong kwam de Cocx uit zijn schuilhoekje tevoorschijn, zijn armen gespreid, klaar om de nek van de in het rood geklede man te grijpen. De sprong was een fraai stukje werk, het was alleen jammer dat de man op het laatste moment zich omdraaide en met de stok, die hij in zijn hand hield, de Cocx op afstand wist te houden.

Ninja's, Jackie Chan en zelfs de Teenage Ninja Turtles schoten door de Cocx verbeelding heen. Een stokvechter, hoe pak je dat nu aan, daar hadden ze het in de opleiding niet over. Messen, ja, een pistool, daar werd je op getraind, maar een stok? Om zich heen kijkend zag de brigadier een afgevallen tak liggen, niet het beste wapen, maar toch een wapen. Met een ijselijke kreet hief hij zijn geïmproviseerde wapen op, in de hoop een flinke dreun uit te delen aan die man met die belachelijke rode cape om. De tak kwam omhoog, en neer, en miste de man, die met een vlugge draai uit de baan van de tak stapte, en met een speelse draai van zijn eigen stok de Cocx ontwapende. In die zelfde beweging voelde de Cocx de stok van de ander in zijn knieholten smakken, en met een nauwelijks onderdrukte kreet viel de politieman op de grond.

De twee donkere mannen kwamen aangerend, en grepen de Cocx vast. Tussen de pijnscheuten door kon de Cocx nog wel de vreemde kleding van de twee opmerken, maar dat was even alles waartoe hij in staat was. De twee tilden hem op, en brachten hem naar de leider toe, die nauwelijks sneller ademhaalde na het korte, voor de Cocx zo slecht verlopen gevecht.

Een beetje op adem komend zag de Cocx dat het een oude man was, een bejaarde. 't Was misschien beter als hij hier op het bureau niets over vertelde, ze zouden hem uitlachen: verslagen als hij was door een ouwe vent. Maar wie was die onbekende?

Een plotse windvlaag deed de wolken uiteendrijven, en de maan scheen door de bomen die op het Slotplein stonden. De oude sprak: “Makker, staakt uw wild geraas. 't Heerlijk avondje is gekomen, je geloofd het niet maar ik ben...” “SINTERKLAAS?” hijgde de Cocx. “Niet te geloven, t'is Sinterklaas......”

De oude glimlachtte, stak zijn wit gehandschoende hand uit en greep de Cocx bij de schouder. Binnen luttele ogenblikken werd het de Cocx zwart voor de ogen. Het laatste wat hij hoorde voordat hij het bewustzijn verloor was de klank van paardenhoeven.

Langzaam werd de Cocx weer wakker. Het eerste wat hij merkte was dat hij totaal geen nadelige gevolgen van de vreemde greep overgehouden had. Het tweede wat hij merkte was dat hij plein nu leeg was. Het paard, de twee zwarte mannen en Sinterklaas (was het echt Sinterklaas geweest?) waren verdwenen, en hijzelf zal vlak naast zijn motor op de grond. Alhoewel? Was dat zijn motor? Die stevige hoes had hij er niet overheen gedaan, dat was zeker. Vlug stond hij op, en zag toen op de hoes vier pakjes liggen, vier chocolade letters: een 'C', een 'O', nog een 'C' en een 'X'.

Hoofdschuddend over het vreemde avontuur pakte de Cocx de chocolade letters bij elkaar, nam de nieuwe hoes van de motor af en vouwde deze op. Een vreemde avond, met een nog vreemder einde. En zachtjes mompelde de stoere brigadier: “Dank u, dank u, Sinterklaasje”